20150925 Position paper over de implementatie van de ILUC-richtlijn

NVDB Position paper over de implementatie van de ILUC-richtlijn
25 september 2015
 
Met de komst van de ILUC-richtlijn is het Europees beleid voor duurzame biobrandstoffen gewijzigd. Dit aangepaste beleid zal in Nederland moeten worden geïmplementeerd in wetgeving. Hieronder wordt de positie van de Nederlandse Vereniging van Duurzame Biobrandstoffen puntsgewijs weergeven. Dit standpunt wordt vervolgens nader onderbouwd.
 
Consistent beleid dat het gebruik van duurzame biobrandstoffen op de lange termijn garandeert is noodzakelijk
  • Om de transitie naar geavanceerde biobrandstoffen tot stand te brengen is een gunstig investeringsklimaat nodig. Dit vergt consistent beleid dat de vraag naar duurzame biobrandstoffen op de lange termijn garandeert.
  • De NVDB roept op om zich maximaal in te zetten voor de totstandkoming van ambitieus post-2020 Europees beleid dat specifieke doelstellingen stelt voor emissiereductie in de brandstofketen (bijv. door het continueren en aanscherpen van de FQD doelstelling). In dit verband geeft de NVDB in overweging om op de kortst mogelijke een doelstelling voor emissiereductie in de transportsector centraal te stellen.
  • Mocht de totstandkoming van dergelijk specifiek beleid op Europees niveau niet haalbaar blijken, dan zal Nederland op nationaal niveau (en in samenwerking met andere West-Europese lidstaten) specifiek beleid moeten vaststellen dat emissiereductie in de transportsector stimuleert. Dit is noodzakelijk ter invulling van de nationale doelstelling voor emissiereductie in non-ETS sectoren.
 
Een bindend subdoel van 0,5% voor ‘zeer’ geavanceerde biobrandstoffen
  • De ILUC-richtlijn kent een niet-bindend subdoel van 0,5% (in absolute energie-inhoud) voor het gebruik van de geavanceerde biobrandstoffen die zijn opgenomen op Annex IX deel A bij de ILUC-richtlijn. Nederland komt beleidsruimte toe om een bindend subdoel in te voeren.
  • De NVDB roept op om het subdoel van 0,5% (na dubbeltelling) in te voeren. Dit subdoel is realistisch en zorgt er tegelijkertijd voor dat de ontwikkeling van zeer geavanceerde biobrandstoffen een impuls krijgt.
 
Voer geen lagere cap in dan 7% voor het behalen van de RED doelstelling en voer geen cap in voor het behalen van de doelstelling uit de FQD
  • Met de invoering van een cap wordt het aandeel conventionele biobrandstoffen dat voor het behalen van de 10% uit de RED mag meetellen ingeperkt. Op grond van de ILUC-richtlijn kan Nederland ook besluiten de cap onder de FQD in te voeren. Het invoeren van een cap is een tussentijdse beleidswijziging die niet was voorzien toen de RED en FQD werden ingevoerd. Met het invoeren van een (lage) cap worden bestaande investeringen niet beschermd en wordt afbreuk gedaan aan een gunstig investeringsklimaat.
  • Biobrandstoffen moeten aantoonbaar voldoen aan strenge duurzaamheidscriteria om mee te tellen voor de doelstellingen uit de RED en FQD. Conventionele biobrandstoffen zijn aantoonbaar duurzaam geproduceerd en – in tegenstelling tot geavanceerde biobrandstoffen – op grote schaal beschikbaar. Conventionele biobrandstoffen zijn daarmee een kostenefficiënte optie om aan de doelstellingen uit de RED en de FQD te voldoen. Kostenefficiëntie en de vrijheid voor brandstofleveranciers om te kiezen voor bepaalde broeikasgas reducerende maatregelen staan bovendien centraal in de FQD.
  • De NVDB is gelet op het bovenstaande van mening dat het niet kan worden gerechtvaardigd dat een (lage) cap op conventionele biobrandstoffen wordt ingevoerd. Daarom roept de NVDB op om binnen de geboden beleidsruimte af te zien van een lagere cap dan 7% voor het behalen van de RED doelstelling en om voor het behalen van de FQD doelstelling geen cap in te voeren.
 
Verhoog het groeipad voor hernieuwbare energie in transport
  • Met de ILUC-richtlijn wordt de dubbeltellingsregeling in Europa geharmoniseerd en uitgebreid. Dit heeft tot gevolg dat in de totale energiemix verhoudingsgewijs meer ruimte is voor brandstoffen van fossiele oorsprong (in 1 liter benzine of diesel hoeft immers maar de helft aan dubbeltellende biobrandstof te worden bijgemengd).
  • De NVDB is van mening dat dit ongewenste effect van de dubbeltellingsregeling moet worden gecompenseerd door het verhogen van de jaarverplichting in aanloop naar 2020. Door invoering van een cap wordt geborgd dat de verhoging niet wordt ingevuld met conventionele biobrandstoffen. Derhalve roept de NVDB op om de jaarverplichting in 2018 vast te stellen op 9% en in 2019 op 10%.
 
Nederland heeft de afvalhiërarchie en het cascaderingsprincipe reeds geïmplementeerd in de dubbeltellingsregeling
  • De ILUC-richtlijn roept lidstaten op om de afvalhiërarchie en het cascaderingsprincipe toe te passen.
  • In Nederland is de dubbeltellingsregeling ingevoerd waarmee het hergebruik van afval en residuen als grondstof voor biobrandstoffen wordt gestimuleerd (afvalhiërarchie). Als aanvullende voorwaarde voor de kwalificatie van een biobrandstof als dubbeltellende biobrandstof, moet zijn aangetoond dat voor de gebruikte grondstof geen (hoogwaardiger) alternatieve toepassing bestaat (cascadering).
  • Nederland heeft aldus de afvalhiërarchie en het cascaderingsprincipe reeds geïmplementeerd in bestaande regelgeving.

 
Nadere onderbouwing
 

1.Inleiding

Duurzame biobrandstoffen dragen in belangrijke mate bij aan de reductie van broeikasgasemissies in de transportsector en verminderen de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Dit zijn de belangrijkste redenen waarom het bijmengen van duurzame biobrandstoffen wordt gestimuleerd.

Nederland is één van de grootste producenten van duurzame biobrandstoffen in Europa. De productie van duurzame biobrandstoffen in Nederland is in hoge mate afhankelijk van Europees beleid. Het Europese beleid is gewijzigd door de ‘ILUC-richtlijn’.[1] In dit position paper geeft de NVDB haar standpunt ten aanzien van de wijze waarop deze richtlijn in Nederland moet worden geïmplementeerd.
 
 

2.Achtergrond bij de ILUC-richtlijn

Met de ILUC-richtlijn worden de Richtlijn hernieuwbare energie (RED)[2] en de Richtlijn brandstofkwaliteit (FQD)[3] aangepast. Deze richtlijnen stimuleren de productie van duurzame biobrandstoffen. De RED stelt als doel dat 10% van de brandstoffen die worden ingezet voor het weg- en spoorvervoer in 2020 moet bestaan uit hernieuwbare energie. De FQD verplicht brandstofleveranciers tot het behalen van 6% reductie van de broeikasgasintensiteit van brandstoffen over de gehele keten in 2020. Voor biobrandstoffen geldt dat zij alleen meetellen voor het behalen van de doelstellingen uit de RED en FQD indien zij aantoonbaar voldoen aan strenge duurzaamheidseisen. Daarom is de inzet van biobrandstoffen over de gehele keten gecertificeerd conform de daarvoor vastgestelde duurzaamheidscriteria. Op grond van de RED kunnen bepaalde duurzame biobrandstoffen en hernieuwbare elektriciteit meervoudig meetellen voor het behalen van de doelstelling uit de 10% doelstelling uit de RED. Voor duurzame biobrandstoffen geldt dat zij in Nederland dubbel meetellen indien zij zijn geproduceerd uit afval of residuen en voor de gebruikte grondstof geen alternatieve toepassing beschikbaar is. De ‘dubbeltellingsregeling’ is in tegenstelling tot veel andere lidstaten in Nederland al wel van kracht.
 
De belangrijkste wijzigingen als gevolg van de ILUC-richtlijn zijn:
  • een niet-bindend subdoel voor zeer geavanceerde biobrandstoffen;
  • een cap van 7% of lager op conventionele biobrandstoffen onder de RED;
  • rapportage over ILUC-waarden door bedrijven en lidstaten; en
  • harmonisatie van de dubbeltellingsregeling door vaststelling van een lijst met materialen die voor een meervoudige telling in aanmerking komen (Annex IX bij de ILUC-richtlijn).
 
Nederland komt een zekere beleidsruimte toe bij de implementatie van de ILUC-richtlijn. Deze ruimte ziet op de volgende elementen:
  • een subdoel voor zeer geavanceerde biobrandstoffen;
  • een cap op conventionele biobrandstoffen die lager ligt dan 7%;
  • een cap op conventionele biobrandstoffen voor het behalen van de doelstelling uit de FQD; en
  • maatregelen ter waarborging van het respecteren van de afvalhiërarchie en het cascaderingsprincipe.
 
 

3.Standpunten NVDB

De ILUC-richtlijn moet uiterlijk in 2018 in de Nederlandse wetgeving zijn geïmplementeerd. De implementatie van de richtlijn heeft consequenties voor het behalen van de 10% doelstelling uit de RED waar Nederland aan moet voldoen en de 6% doelstelling uit de FQD waar brandstofleveranciers aan moeten voldoen. Bij de implementatie van de ILUC-richtlijn komt Nederland op een aantal elementen beleidsvrijheid toe. Daarmee kan Nederland deels zelf bepalen op welke wijze aan de doelstellingen wordt voldaan. In dat kader adviseert de NVDB om rekening te houden met de volgende punten:
 

3.1 Consistent beleid dat het gebruik van duurzame biobrandstoffen op de lange termijn garandeert is noodzakelijk

De NVDB is voorstander van een transitie naar het gebruik van geavanceerde biobrandstoffen. De ILUC-richtlijn is er mede op gericht dat deze transitie plaatsvindt, maar beperkt zich tot aanpassing van het beleid op de korte termijn (tot 2020). Om de transitie tot stand te brengen is het noodzakelijk dat investeringen in duurzame biobrandstoffen op de lange termijn worden beschermd. Daarom zal op Europees niveau beleid moeten worden vastgesteld dat het gebruik van duurzame biobrandstoffen tot tenminste 2030 garandeert.
 
Uit de overwegingen in het ILUC-voorstel volgt dat overeenstemming bestaat over de noodzaak van een kostenefficiënt en technologieneutraal biobrandstofbeleid dat een langetermijnperspectief schept voor investeringen. Ook de Nederlandse regering is hier voorstander van dergelijk beleid en noemt het continueren van de FQD na 2020 als mogelijke optie.[4] De totstandkoming op Europees niveau van post-2020 beleid leidt tot een substantiële vraag naar duurzame biobrandstoffen en draagt bij aan een level playing field voor de biobrandstoffensector. Hiermee worden nieuwe investeringen in biobrandstoffen aangetrokken en wordt de transitie naar geavanceerde biobrandstoffen gestimuleerd. Nederland moet zich dan ook (blijven) inzetten voor de totstandkoming Europees beleid dat stuurt op een kostenefficiënte en technologieneutrale emissiereductie in de transportsector. In dit verband geeft de NVDB in overweging om op de kortst mogelijke termijn emissiereductie in de transportsector als doelstelling centraal te stellen om zodoende het gebruik van duurzame biobrandstoffen met een lage broeikasintensiteit te stimuleren.
 
Mocht op Europees niveau geen overeenstemming worden bereikt over doelstellingen voor emissiereductie in transport, dan zal Nederland alsnog op nationaal niveau beleid moeten vaststellen dat leidt tot het treffen van emissiereducerende maatregelen in de transportsector. Nederland zal immers in 2030 moeten voldoen aan een nog vast te stellen nationale doelstelling voor emissiereductie in sectoren die buiten het emissie handel systeem vallen (zogenaamde ‘non-ETS sectoren’). De transportsector is een non-ETS sector en verantwoordelijk voor 30% van de totale broeikasgasemissies in Europa.[5] Nederland zal dan samenwerking moeten zoeken met andere West-Europese lidstaten en een vergelijkbaar beleidskader moeten vaststellen met het doel om een level playing field te bewaren.
 

3.2 Een bindend subdoel van 0,5% voor ‘zeer’ geavanceerde biobrandstoffen

De ILUC-richtlijn bevat een niet-bindend subdoel van 0,5% (in absolute energie-inhoud) voor het gebruik van ‘zeer’ geavanceerde biobrandstoffen. Zeer geavanceerde biobrandstoffen zijn duurzame biobrandstoffen die bijvoorbeeld worden geproduceerd uit lignocellulose of aquatische biomassa. De volledige lijst met grondstoffen is als Annex IX deel A bij de ILUC-richtlijn opgenomen. Lidstaten hebben de mogelijkheid een bindend subdoel voor zeer geavanceerde biobrandstoffen in te voeren en/of onder bepaalde omstandigheden af te wijken van het indicatieve subdoel uit de ILUC-richtlijn. De NVDB is voorstander van het invoeren van een subdoel voor zeer geavanceerde biobrandstoffen.
 
De leden van de NVDB ontwikkelen nieuwe productietechnieken voor zeer geavanceerde biobrandstoffen. Vooralsnog beperken de initiatieven zich tot kleinschalige, innovatieve projecten. Uitbreiding en opschaling van deze projecten is noodzakelijk, zodat deze biobrandstoffen op lange termijn een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de benodigde emissiereducties. In 2013 is volgens de NEa ruim 465 PJ aan benzine en diesel geleverd aan de Nederlandse markt voor vervoer.[6] De verwachting is dat, bij een toenemend aantal voertuigkilometers en een verhoogde efficiëntie, dit getal ongeveer gelijk blijft voor 2020. Hiervan moet in 2020 10% bestaan uit hernieuwbare energiebronnen. Het PBL heeft eerder ingeschat dat in 2020 onder ideale omstandigheden maximaal 0,15% in absolute energie-inhoud (gelijk aan 0,70 PJ) met zeer geavanceerde biobrandstoffen kan worden ingevuld.[7] Nieuwe inzichten over de beschikbaarheid van zeer geavanceerde biobrandstoffen en de Europese afzetmarkt hiervoor kunnen hierin nader inzicht geven. Gelet op de onzekerheid over de afzetmarkt voor deze biobrandstoffen voor en na 2020 blijft uitbreiding en opschaling van de productie vooralsnog uit. Het invoeren van een ambitieuze subdoelstelling voor zeer geavanceerde biobrandstoffen kan hierin verandering brengen, maar dit zal alleen effect hebben indien ook duidelijkheid wordt verschaft over het stimuleringsbeleid voor duurzame biobrandstoffen na 2020.
 
Gelet op de eerdere inschatting van PBL lijkt een indicatief subdoel van 0,5% (na dubbeltelling) reëel. Dankzij de andere maatregelen die het bijmengen van zeer geavanceerde biobrandstoffen stimuleren, kan het subdoel worden overschreden indien voldoende zeer geavanceerde biobrandstoffen beschikbaar en betaalbaar zijn.
 
Een subdoel voor zeer geavanceerde biobrandstoffen wordt ook onderschreven door de Commissie Corbey.[8] De NVDB sluit zich hierbij aan, maar constateert dat dit subdoel alleen reëel is wanneer spoedig zekerheid wordt verschaft over de stimulering van duurzame biobrandstoffen na 2020.

3.3 Voer geen lagere cap in dan 7% voor het behalen van de RED doelstelling en voer geen cap in voor het behalen van de doelstelling uit de FQD

Op grond van de ILUC-richtlijn moet Nederland voor het behalen van het 10% doel in de RED een cap op conventionele biobrandstoffen van 7% of lager invoeren.[9] Daarnaast kan Nederland ervoor kiezen de cap ook in te voeren als voorwaarde voor het behalen van de 6% doelstelling in de FQD. Met de invoering van een cap (een maximum) wordt het aandeel conventionele biobrandstoffen dat meetelt voor het behalen van de Europese doelstellingen ingeperkt. In Nederland is door de Tweede Kamer een motie[10] aangenomen waarin de regering wordt verzocht een cap van 5% op conventionele biobrandstoffen in te voeren. Bij de invoering van een cap op conventionele biobrandstoffen moet het volgende in overweging worden genomen:
 
Biobrandstoffen die worden bijgemengd voldoen aantoonbaar aan strenge duurzaamheidscriteria. Dit legitimeert dat biobrandstoffen meetellen voor de doelstellingen uit de RED en de FQD. Bij conventionele biobrandstoffen bestaat het risico op ILUC. De NVDB is van mening dat het risico op ILUC moet worden voorkomen en stimuleert initiatieven die hieraan bijdragen, zoals de certificering van ‘low-ILUC-risk biofuels’.
 
De transitie naar het gebruik van meer geavanceerde biobrandstoffen vergt onder meer de ontwikkeling van innovatieve technologieën voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen en het opzetten en doorontwikkelen van de grondstoffenketens. De transitie zal in belangrijke mate plaatsvinden door aanpassing van de bestaande productieketens en -processen. De investeringen die hiervoor noodzakelijk zijn, worden gedaan op basis van een gunstig investeringsklimaat voor biobrandstoffen. Dat vergt stabiel overheidsbeleid dat de toekomst van duurzame biobrandstoffen garandeert en investeringen in biobrandstoffen beschermt. Het tussentijds ingrijpend wijzigen van het beleid door invoering van een (lage) cap doet hier afbreuk aan.
 
Het voldoen aan de doelstellingen uit de RED en de FQD brengt kosten met zich mee voor het bedrijfsleven. De kosten voor conventionele biobrandstoffen zijn in verhouding tot geavanceerde biobrandstoffen vooralsnog relatief laag. Dat kan mede worden verklaard doordat de productiecapaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen nog beperkt is en sprake is van grote overcapaciteit voor conventionele biobrandstoffen.[11] Conventionele biobrandstoffen zijn daarmee een kostenefficiënte optie om de doelstellingen te behalen. Dit is een punt om te betrekken in de overwegingen bij de bepaling van de hoogte van de cap onder de 10% doelstelling uit de RED. Kostenefficiëntie en de vrijheid voor brandstofleveranciers om te kiezen voor bepaalde broeikasgasreducerende maatregelen staan centraal in de FQD. Het invoeren van een cap op conventionele biobrandstoffen verhoudt zich niet tot deze uitgangspunten.
 
Gelet op de hierboven vermelde overwegingen roept de NVDB op om de cap op conventionele biobrandstoffen te beperken tot 7% en geen cap in te voeren voor het behalen van de 6% doelstelling uit de FQD.

3.4 Verhoog het groeipad voor hernieuwbare energie in transport

In de RED is voor lidstaten de verplichting opgenomen een dubbeltellingsregeling in te voeren. Slechts een beperkt aantal landen – waaronder Nederland – heeft deze dubbeltellingsregeling ingevoerd. De dubbeltellingsregeling houdt in dat biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit afval en residuen dubbel meetellen voor het behalen van de 10% doelstelling uit de RED. Momenteel is op nationaal niveau is op grondstoffenniveau bepaald welke biobrandstoffen als dubbeltellend worden aangemerkt. In de ILUC-richtlijn wordt de dubbeltellingsregeling geharmoniseerd. De lijst met grondstoffen is als Annex IX bij de ILUC-richtlijn opgenomen. Daarnaast wordt met de ILUC-richtlijn de 2,5x telling van hernieuwbare elektriciteit in auto’s verhoogd naar 5x telling en wordt een 2,5x telling geïntroduceerd voor het aandeel hernieuwbare elektriciteit in treinen. lidstaten zijn verplicht om conform deze systematiek te rapporteren aan de Europese Commissie.
 
De dubbeltellingsregeling heeft tot gevolg dat een jaarverplichting van 10% hernieuwbare energie kan worden ingevuld met het fysiek bijmengen van 5% dubbeltellende biobrandstoffen. In de praktijk zullen zowel enkel- als dubbeltellende biobrandstoffen als ook meervoudig tellende elektriciteit worden ingezet. Dit heeft tot gevolg dat het fysiek volume hernieuwbare energie in 2020 lager zal uitkomen dan 10% en dat meer fossiele brandstoffen worden ingezet. Het exacte percentage laat zich moeilijk voorspellen. Het fysieke volume hernieuwbare energie in transport zal als gevolg van de ILUC-richtlijn nog lager uitvallen, omdat de dubbeltellingsregeling wordt uitgebreid en naar verwachting in meer landen wordt ingevoerd.
 
De NVDB vindt het onwenselijk dat als gevolg van het toenemend aandeel dubbeltellende biobrandstoffen ook het fysieke volume fossiele brandstoffen toeneemt. Hiermee wordt positieve effect van geavanceerde biobrandstoffen (deels) teniet gedaan door een toenemend volume fossiele brandstoffen. Dit negatieve effect kan worden gecompenseerd door in de jaren 2018 en 2019 – wanneer naar verwachting meer geavanceerde biobrandstoffen beschikbaar zijn – sneller toe te groeien naar een aandeel van 10% hernieuwbare energie in transport. Gelet op de cap van 7% wordt geborgd een verhoging van het groeipad niet wordt ingevuld met conventionele biobrandstoffen. De NVDB stelt daarom voor om in 2018 de jaarverplichting te verhogen naar 9% in 2019 naar 10% (zie onderstaand schematisch overzicht).


3.5 Nederland heeft de afvalhiërarchie en het cascaderingsprincipe reeds geïmplementeerd in de dubbeltellingsregeling

Bij de implementatie van de ILUC-richtlijn zijn lidstaten verplicht om rekenschap te geven van de waardepiramide van afval. Met dit concept wordt primair ingezet op afvalpreventie, vervolgens op hergebruik en recycling voordat verbranding van de restfracties plaatsvindt. Dit is van belang in relatie tot biobrandstoffen, omdat biobrandstoffen uit afval en residuen kunnen worden geproduceerd. In Nederland tellen biobrandstoffen geproduceerd uit afval en residuen dubbel mee voor de nationale doelstelling voor hernieuwbare energie in transport. Hiermee wordt rekenschap gegeven van de waardepiramide van afval en reeds ingezet op het gebruik van afval als grondstof.
 
De ILUC-richtlijn verplicht lidstaten ook om rekenschap te geven van het cascaderingsprincipe. Bij cascadering staat centraal dat biomassa zo optimaal mogelijk wordt benut. Alvorens een materiaal in Nederland als dubbeltellend wordt gekwalificeerd moet vast komen te staan dat hiervoor geen alternatieve toepassing beschikbaar is.[12] In de beoordeling, die door de NEa wordt uitgevoerd, wordt rekening gehouden met locatie specifieke omstandigheden en de markomstandigheden. Hiermee geeft Nederland reeds invulling aan de cascaderingsprincipe.
 
Door de Nederlandse regering wordt een strikter toetsingskader met minimumstandaarden om bepaalde verwerkingsroutes af te dwingen niet haalbaar geacht.[13] De NVDB onderschrijft dit standpunt en is van mening dat de afvalstoffenhiërarchie en het cascaderingsprincipe reeds goed zijn verankerd in de bestaande Nederlandse wetgeving.



De Nederlandse Vereniging van Duurzame Biobrandstoffen (NVDB) behartigt de belangen van de producenten van biobrandstoffen die gezamenlijk zo’n 80% van de productiecapaciteit in Nederland vertegenwoordigen.
 
De volgende bedrijven zijn lid van de NVDB:
  • Abengoa Bioenergy Netherlands B.V.
  • Biopetrol Rotterdam B.V.
  • Neste Netherlands B.V.
  • Sunoil Biodiesel B.V.
 
  • BTG Biomass Technology Group B.V.
  • DSM Bio-based Products & Services B.V.
  • HarvestaGG (Green Goods) B.V.


[1] Richtlijn 2015/1513/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 ter aanpassing van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en ter aanpassing van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
[2] Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG
[3] Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad
[4] Dutch contribution to Mid-term Review of White Paper on Transport, Kamerstukken II 2014/15, 22112, 1981.
[5] A Framework Strategy for a Resilient Energy Union with a Forward-Looking Climate Change Policy, COM(2015) 80.
[6] Nederlandse Emissieautoriteit, Rapportage hernieuwbare energie 2013, (2014)
[7] Planbureau voor de Leefomgeving, presentatie Winand Smeets gegeven op de vergadering van Commissie Corbey (2013)
[8] Commissie Corbey, Advies versnelde invoering geavanceerde biobrandstoffen (2013)
[9] Conventionele biobrandstoffen worden geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliehoudende gewassen en andere gewassen die primair als energiegewassen worden geteeld op landbouwgronden.
[10] Motie Van Veldhoven/Van Tongeren, Kamerstukken II 2014/15, 32813, 97.
[11] GAIN, EU Biofuels Annual 2014, 2014.
[12] Onder een alternatieve toepassing wordt verstaan een toepassing anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel van biomassa als diervoeder, art. 3.9 Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015.
[13] Kamerbrief over meer waarde uit biomassa door cascadering, Kamerstukken II 2013/14, 33043, 33, p. 4.