20141107 - NVDB Position Paper over de Duurzame Brandstofvisie met LEF

NVDB Position Paper over de Duurzame Brandstofvisie met LEF
7 november 2014

1. Inleiding

1.1 In het SER Energieakkoord is afgesproken dat het bedrijfsleven, de overheid en NGO’s een gezamenlijke visie op de toekomstige brandstoffenmix ontwikkelen met als doel een zo effectief en efficiënt mogelijke inzet van duurzame brandstoffen. De Duurzame Brandstofvisie met LEF (hierna: ‘de Visie’) is op 30 juni 2014 aangeboden aan Staatssecretaris Mansveld (I&M).

1.2 De Visie bestaat uit één integraal visiedocument dat is opgebouwd uit zeven deelrapporten met ieder een eigen terrein. De NVDB nam plaats aan de deeltafel Wegvervoer duurzaam vloeibaar, die met name betrekking had op biobrandstoffen en efficiencyverbetering. In dit positon paper geeft de NVDB een reactie op de Visie.


2. De hoofdpunten in de Duurzame brandstofvisie met LEF

2.1 In het Energieakkoord is bepaald dat in 2050 de CO2- uitstoot met 60% moet zijn gereduceerd t.o.v. 1990. Als tussendoel is in 2030 een reductie van 17% afgesproken. De Visie beschrijft op welke manier brandstoffen aan deze doelen kunnen bijdragen. Hierbij is in verschillende modaliteiten, zoals wegtransport, luchtvaart en scheepvaart, een belangrijke rol weggelegd voor duurzame biobrandstoffen. Ten aanzien van het wegvervoer is als centraal uitgangspunt gekozen voor een transitie naar elektrische aandrijving van personen- en bestelauto’s. Duurzame biobrandstoffen worden op korte termijn gezien als een overbruggingsoptie totdat elektrisch rijden voldoende is ontwikkeld en op de lange termijn als een verzekeringsoptie wanneer de uitrol van elektrisch tegen hindernissen aanloopt.

2.2 De belangrijkste aandachtspunten die ten aanzien van biobrandstoffen in het wegvervoer in de Visie naar voren komen zijn:
  • Zet binnen EU-verband in op reductie van de broeikasgasemissies van de brandstofketen en herformulering van de EU-richtlijn hernieuwbare energie na 2020;
  • Ondersteuning van marktintroductie, uitrol en productie van diverse duurzame biobrandstoffen en energiedragers; Stimulering van duurzame biobrandstoffenproductie via cascadering en bioraffinage, waarbij een laag ILUC risico de voorkeur verdient;
  • Stimulering van voertuigen geschikt voor biobrandstoffen en energiedragers;
  • Inzet in EU-verband op CO2-eisen aan voertuigen;
  • Inzet binnen Nederland en binnen EU-verband op een eerlijker CO2-afhankelijke stimulering voor voertuigen en brandstoffen/-energiedragers;

2.3 In het Deelrapport van de Tafel Wegvervoer duurzaam vloeibaar zijn instrumenten geformuleerd die het gebruik van biobrandstoffen kunnen stimuleren:

  • Continueren van de FQD na 2020 en aanscherping van de 6% CO2-reductiedoelstelling;
  • Beprijzen van CO2;
  • Ontwikkelen van innovatiebeleid;
  • Vaststellen van een Europees subdoel voor geavanceerde biobrandstoffen;
  • Instellen van een werkgroep ter begeleiding van de introductie van nieuwe biobrandstoffen.

3. De standpunten van de NVDB

Meer sturing op grond van reductie van broeikasgasemissies

3.1 Biobrandstoffen worden in de EU en in Nederland gestimuleerd omdat ze een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan reductie van broeikasgassen. Bovendien worden duurzame biobrandstoffen geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, waardoor de afhankelijkheid van olieproducerende landen afneemt. Duurzame biobrandstoffen zijn beschikbaar, direct toepasbaar en schaalbaar.

3.2 In het Energieakkoord is een centraal emissiereductiedoel van 60% in 2050 (t.o.v. 1990) afgesproken. Op Europees niveau is door de Europese Raad overeenstemming bereikt over een emissiereductiedoel van tenminste 40% in 2030. De transportsector is de grootste aandeelhouder als het gaat om broeikasgasemissies en dit aandeel neemt toe. Om het centrale emissiereductiedoel te behalen is specifiek beleid voor de transportsector noodzakelijk. Door emissiereductiedoelen voor de transportsector voor te schrijven en aan de sector de keuze te laten welk middel hiervoor wordt gehanteerd, komt men tot de meest kostenefficiënte manier om in de transportsector emissiereductie te realiseren.

3.3 De Visie maakt een keuze door op de lange termijn in te zetten op elektrisch rijden. Hiermee worden de keuzemogelijkheden voor de markt onnodig beperkt en komt men niet tot een kostenefficiënte reductie van broeikasgasemissies. Er wordt een voorschot genomen op technologische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen waarvan de uitkomst allerminst zeker is. Bovendien moet ook aandacht worden gevestigd op de (duurzame) opwekking elektriciteit. Dit wordt in de Visie erkend.

3.4 De NVDB is van mening dat het continueren en aanscherpen van de FQD na 2020 de beste manier is om op een kostenefficiënte wijze de emissie van broeikasgassen in de transportsector te reduceren. Deze richtlijn verplicht oliemaatschappijen op Europees niveau tot verlaging van de broeikasgasemissies in de brandstofketen en laat hen vrij in de keuze voor de middelen om dit bereiken. Duurzame biobrandstoffen die leiden tot relatief meer reductie van broeikasgasemissies worden hiermee gestimuleerd, omdat hiermee eerder aan de doelstelling kan worden voldaan. De conclusies van de Europese Raad met betrekking tot een klimaat- en energiepakket voor 2030 bevatten aanknopingspunten voor het continueren van de FQD (en de RED) na 2020. Het is zaak dat de Europese Commissie hiertoe op korte termijn een voorstel presenteert. De Nederlandse overheid en het bedrijfsleven zullen zich moeten blijven inzetten voor een dergelijk Richtlijnvoorstel.

3.5 Na 2020 zullen op grond van het klimaat- en energiepakket voor 2030 nationale bindende doelstellingen gaan gelden voor sectoren die buiten het Emissie Handel Systeem (ETS) vallen. Transport is de non-ETS sector waarin de meeste broeikasgassen worden geëmitteerd en dit aandeel stijgt. Er moeten dan ook maatregelen worden getroffen om in de transportsector tot reductie van broeikasgassen te komen.

3.6 Indien de FQD na 2020 niet wordt voortgezet, dan zal Nederland zelfstandig bindende doelstellingen moeten bepalen voor reductie van broeikasgasemissies in de transportsector om aan de bindende doelstellingen voor de non-ETS sectoren te kunnen voldoen. Daarbij moet samenwerking worden gezocht met andere EU-lidstaten om te komen tot vergelijkbaar beleid in deze landen.

Meer stimulering van marktwerking

3.7 Het is wenselijk dat de markt op kostenefficiënte wijze de emissies van broeikasgassen in de transportsector reduceert. Dat betekent dat de markt een keuze moet hebben uit verschillende middelen om tot emissiereductie in de transportsector te komen. In dit verband is continuering van de FQD na 2020 essentieel. Deze richtlijn plaatst emissiereductie in de brandstofketen centraal en laat het aan de markt over om hiervoor het middel te kiezen. De keuze kan bestaan uit het gebruik van duurzame biobrandstoffen of elektrisch vervoer, maar bijvoorbeeld ook uit het verminderen van het affakkelen van gassen bij olieproductie. De marktpartijen zullen op basis van de hen ter beschikking staande technologieën een keuze maken op basis van kosteneffectiviteit.

3.8 De markt voor emissiereductie in transport kan optimaal functioneren indien de overheid lange-termijnzekerheid biedt aan het bedrijfsleven en niet tussentijds beleidsveranderingen doorvoert. Hiermee worden bestaande investeringen beschermd en nieuwe investeringen gestimuleerd. In het geval van de productie van duurzame biobrandstoffen zal dit bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe productietechnieken voor geavanceerde biobrandstoffen. Indien stabiel lange-termijn beleid achterwege blijft, dan zal innovatie worden geremd en wordt teruggevallen op de bestaande opties.

3.9 Een ‘level playing field’ is een ander belangrijk element om te komen tot een goedwerkende markt die op kostenefficiënte wijze broeikasgasemissies reduceert. De aanbieders van duurzame energiedragers moeten onder vergelijkbare voorwaarden met elkaar kunnen concurreren. Wanneer onevenredige barrières worden opgeworpen voor bepaalde brandstoffen en/of andere energiedragers aanvullend worden gestimuleerd werkt dit marktverstorend. Ook moet een level playing field bestaan ten aanzien van de handel in grondstoffen voor biobrandstoffen. In het geval van duurzame biobrandstoffen, die worden geproduceerd uit biomassa, bestaat concurrentie met de (bio)energie-, (bio)chemie- en agrosector. Binnen een biobased economy wordt biomassa gebruikt voor de meest hoogwaardige toepassing. De biobased economy moet worden gestimuleerd, maar tegelijk moeten op het gebied van duurzaamheid vergelijkbare criteria moeten gelden (bijv. met betrekking tot veranderingen van landgebruik). Dit draagt bij aan een goed functionerende markt voor emissiereductie in transport en aan een de verdere ontwikkeling van een biobased economy.

Meer inzet op duurzame biobrandstoffen als kansrijke nichemarkt

3.10 De Visie roept op om in te zetten op kansrijke niches die voortbouwen op sterke kanten van Nederland om zo te zorgen voor economische groei en welvaart. De biobrandstofsector wordt daarbij genoemd als een kansrijke niche voor verschillende modaliteiten (wegvervoer, luchtvaart, scheepvaart). De sector heeft in Nederland een groot groeipotentieel en kan een nog belangrijker bijdrage leveren aan de economische groei, de werkgelegenheid en innovatie in Nederland. Nederland kan verdere groei stimuleren door middel van innovatiebeleid waarin ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe geavanceerde biobrandstoffen.

Meer focus op ILUC mitigatie

3.11 De NVDB onderkent dat het risico op Indirect Land Use Change (ILUC) ook van toepassing is op de biobrandstofsector, zoals het van toepassing is op alle sectoren. Het is momenteel onduidelijk op welke wijze ILUC moet worden berekend en in welke mate ILUC aan de productie van biobrandstoffen uit gewassen moet worden toegeschreven. De wetenschap zal hierover consensus moeten bereiken, alvorens dit als basis wordt genomen voor de vaststelling van beleid en regelgeving. De NVDB is van mening dat het beter is de focus te leggen op ILUC mitigatie in plaats van uiteenlopende berekeningen. Het verhogen van de opbrengsten van landbouwgrond is hiervan een voorbeeld.

4. Conclusies

4.1 De NVDB is van mening dat de Visie een bijdrage kan leveren aan het behalen van de lange-termijndoelstellingen op het gebied van emissiereductie. Duurzame biobrandstoffen zullen zowel op de korte termijn als op lange termijn een belangrijke rol moeten vervullen in verschillende modaliteiten om de ambitieuze doelstellingen te kunnen behalen.

4.2 Ten aanzien van het wegvervoer wordt in de Visie een voorschot genomen op technologische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen waarvan de uitkomst allerminst zeker is. Hierdoor lijkt de Visie op de lange termijn onvoldoende oog te hebben voor de positieve bijdrage die duurzame biobrandstoffen kunnen leveren. Als daarentegen wordt gekeken naar het deelrapport met betrekking tot het wegvervoer, dan herkent de NVDB zich in veel van de voorgestelde instrumenten om tot verduurzaming te komen. Met betrekking tot andere modaliteiten (vrachtverkeer, luchtvaart en scheepvaart) onderkent de NVDB evenals de Visie dat duurzame biobrandstoffen hierin op korte en lange termijn een belangrijke rol kunnen vervullen.

4.3 Het Energieakkoord stelt een emissiereductiedoel van 60% in 2050 centraal. Op Europees niveau is een emissiereductiedoel van tenminste 40% in 2030 afgesproken. Specifiek beleid voor reductie van broeikasgasemissies is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De NVDB is van mening dat continuering en aanscherping van de FQD op Europees niveau hiervoor het juiste instrument is, omdat deze richtlijn het reduceren van broeikasgasemissies in de brandstofketen centraal stelt. Mocht de FQD na 2020 niet worden gecontinueerd, dan zal Nederland – waar mogelijk gezamenlijk met andere EU-lidstaten – nationale bindende doelstellingen moeten formuleren voor reductie van broeikasgasemissies in de transportsector.

4.4 De FQD laat de markt vrij in de keuze voor het middel om tot reductie van broeikasgasemissies te komen. Dat betekent dat de markt zal kiezen voor het meest kostenefficiënte middel om het doel te bereiken. Het is dan wel noodzakelijk dat sprake is van een goed functionerende markt. Hieraan wordt bijdragen door stabiel lange-termijn beleid te voeren en een level playing field te creëren voor de brandstoffen- en grondstoffenmarkt.

4.5 Duurzame biobrandstoffen hebben een groot groeipotentieel. Dit moet worden onderkend door het voeren van innovatiebeleid waardoor de ontwikkeling van nieuwe geavanceerde biobrandstoffen wordt gestimuleerd. Dit draagt bij aan de economische groei, de werkgelegenheid en innovatie in Nederland. Het gebruik van duurzame biobrandstoffen leidt ook tot minder afhankelijkheid van olieproducerende landen.

4.6 In de wetenschap bestaat momenteel geen consensus over de mate waarin ILUC plaatsvindt als gevolg van de productie van duurzame biobrandstoffen. De uiteenlopende berekeningen die zijn uitgevoerd kunnen daarom niet als basis worden genomen voor de vaststelling van beleid en regelgeving. De NVDB is van mening dat het beter is de focus te leggen op ILUC mitigatie, waarmee het risico op ILUC wordt voorkomen.