20141002 - Position paper Europees biobrandstoffen beleid

NVDB Position paper over Europees biobrandstoffenbeleid
2 oktober 2014

1. Inleiding
De Nederlandse Vereniging van Duurzame Biobrandstoffen (NVDB) behartigt de belangen van de producenten van biobrandstoffen die gezamenlijk zo’n 80% van de productiecapaciteit in Nederland vertegenwoordigen. Biobrandstoffen zijn duurzaam en leveren een belangrijke bijdrage aan het behalen van doelstellingen op het gebied van reductie van broeikasgasemissies. Bovendien dragen duurzame biobrandstoffen bij aan een vermindering van de afhankelijkheid van olie en gas producerende staten.

De markt voor biobrandstoffen is in grote mate afhankelijk van Europees en nationaal beleid dat het gebruik van biobrandstoffen stimuleert. Het Europees beleid is vastgelegd in de Richtlijn hernieuwbare energie (RED)  en de Richtlijn brandstofkwaliteit (FQD) , die van toepassing zijn tot 2020. De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan tot tussentijdse wijziging van deze richtlijnen. Ook wordt onderhandeld over een klimaat- en energiepakket voor de periode 2020-2030. In dit position paper geeft de NVDB een reactie op deze ontwikkelingen in Europa.


2. Achtergrond
De Europese Commissie werkt aan een nieuw beleidskader voor klimaat en energie voor de periode 2020-2030. De volgende hoofddoelen worden hierin voorgesteld:
• 40% reductie van broeikasgasemissies t.o.v. 1990 (30% voor non-ETS sectoren);
• 27% hernieuwbare energie;
• 30% efficiëntieverbetering.
De mobiliteits- en transportsector valt buiten het ETS. De vooruitzichten zijn dat in het beleidskader voor 2020-2030 geen specifieke doelstelling worden gesteld voor deze sector.

De Europese hoofddoelen voor 2020 zijn 20% reductie van broeikasgasemissies t.o.v. 1990, 20% hernieuwbare energie en 20% efficiëntieverbetering. Deze doelstellingen zijn voor de mobiliteit- en transportsector verder uitgewerkt in RED en de FQD. Op grond van de RED moet het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de transportsector tegen 2020 minstens 10% bedragen van het eindverbruik in deze sector. De FQD verplicht brandstofleveranciers tot het bereiken van 6% reductie van broeikasgasemissies in 2020 (ten opzichte van 2010). In 2012 heeft de Commissie een voorstel ingediend tot aanpassing van de RED en de FQD. In het voorstel worden strengere eisen gesteld aan duurzame biobrandstoffen. De verwachting is dat begin 2015 overeenstemming zal worden bereikt over het voorstel en dat dit ingrijpende wijzigingen tot gevolg zal hebben. De belangrijkste discussiepunten uit het wijzigingsvoorstel zijn:
• Een cap op conventionele biobrandstoffen;
• Een subdoel voor geavanceerde biobrandstoffen;
• ILUC-rapportage.


3. Standpunten klimaat- en energiepakket 2030

Specifiek Europees beleid voor de transportsector na 2020 is noodzakelijk
De NVDB is van mening dat het klimaat- en energiepakket 2030 een specifieke doelstelling moet bevatten voor de transportsector. De volgende argumenten kunnen hiervoor worden aangedragen:

• Voorzieningszekerheid en onafhankelijkheid
Een doelstelling voor reductie van broeikasgasemissies in de transportsector stimuleert het gebruik van hernieuwbare energie, waaronder duurzame biobrandstoffen. Meer bijmenging van duurzame biobrandstoffen heeft als bijkomend voordeel dat de energiemix meer gediversifieerd raakt. Dit betekent dat duurzame biobrandstoffen op de lange termijn bijdragen aan een vermindering van de afhankelijkheid van olie en gas producerende staten. De recente geopolitieke ontwikkelingen onderstrepen het belang hiervan.

• Emissiereductie in de transportsector is hard nodig om het voorgestelde 2030-doel te halen
Om het ambitieuze 40%-reductiedoel te behalen stelt de Europese Commissie voor dat sectoren die niet onder het ETS vallen een reductie van 30% moeten bewerkstelligen. De transportsector vertegenwoordigt één derde van alle non-ETS broeikasgasemissies in Europa. Het is dus noodzakelijk dat in de transportsector maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat het 2030-reductiedoel wordt gehaald. Het beste middel hiervoor is continuering en aanscherping van de FQD. Hierbij wordt door de overheid een doel voorgeschreven (reductie van broeikasgasemissies), maar worden bedrijven vrijgelaten in hun keuze voor het middel om dat doel te bereiken. Zo kunnen brandstofleveranciers kiezen voor de vermindering van het affakkelen van gassen bij de olieproductie of elektrisch vervoer. Het voorschrijven van een doel is kosteneffectiever dan het voorschrijven van een middel en leidt tot minder regeldruk.

• Level playing field
Op Europees niveau wordt een ‘level playing field’ nagestreefd, waarbij marktspelers in verschillende lidstaten aan gelijke regels moeten voldoen. Deze harmonisatie van regelgeving voorkomt grote regionale verschillen in beleid en draagt bij aan een vrij handelsverkeer binnen Europa. De regelgeving ten aanzien van duurzame biobrandstoffen is in Europa geharmoniseerd. Indien in het klimaat- en energiepakket 2030 niet wordt aangestuurd op een geharmoniseerd beleid voor de transportsector, dan kunnen grote regionale verschillen ontstaan in het beleid ten aanzien van duurzame biobrandstoffen. Dit vormt een grote belemmering voor het vrij handelsverkeer voor producenten van duurzame biobrandstoffen en moet worden voorkomen.

•  De stimulering van duurzame biobrandstoffen is in het belang van Nederland
Duurzame biobrandstoffen zijn voor Nederland een belangrijk middel om aan nationale klimaat- en energiedoelstellingen te voldoen. Duurzame biobrandstoffen hebben hun waarde aangetoond, in tegenstelling tot andere vormen van hernieuwbare energie. Daarnaast levert de biobrandstofsector een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Dat geldt niet alleen voor de beschikbaarheid van arbeidsplaatsen bij de producenten, maar ook bij bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de infrastructuur of een andere rol vervullen in de keten van duurzame biobrandstoffen. Ook de wetenschap speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van duurzame biobrandstoffen. De verdere ontwikkeling van de biobased economy is een van de weinige disciplines waar Nederland nog een koploperspositie heeft op het gebied van duurzame energie.

Stimuleer alle duurzame biobrandstoffen door sturing op reductie van broeikasgasemissies
De NVDB stelt zich op het standpunt dat in het klimaat en energiepakket 2030 alle duurzame biobrandstoffen moeten worden gestimuleerd en dat een prikkel moet bestaan voor het gebruik van duurzame biobrandstoffen die beter scoren op reductie van broeikasgasemissies. Daarnaast moet een specifieke doelstelling worden vastgesteld voor de ontwikkeling van (zeer) geavanceerde biobrandstoffen. Hiervoor kunnen de volgende argumenten worden aangedragen:

• Alle biobrandstoffen zijn duurzaam en leiden tot reductie van broeikasgasemissies
Momenteel gelden voor biobrandstoffen duurzaamheidscriteria, die bepalen dat biobrandstoffen tenminste moeten leiden tot 35% reductie van broeikasgasemissies. Dit percentage stijgt naar 50% in 2017 en naar 60% in 2018 voor duurzame biobrandstoffen afkomstig van nieuwe productiefaciliteiten. Daarnaast mogen duurzame biobrandstoffen niet worden geproduceerd uit grondstoffen afkomstig van gevoelige gronden (zoals oerbossen). Biobrandstoffen moeten aan deze minimumcriteria voldoen om mee te kunnen tellen voor het behalen van de huidige doelstellingen uit de RED en FQD. Alle biobrandstoffen die hieraan voldoen zijn dan ook duurzaam en moeten worden gestimuleerd. Het is wenselijk dat dit beleid na 2020 wordt gecontinueerd.

• De huidige kennis over ILUC is geen goede basis voor beleid en regelgeving
De NVDB onderkent dat het risico op Indirect Land Use Change (ILUC) ook op deze sector van toepassing is, zoals het van toepassing is op alle sectoren. ILUC kan van invloed zijn op de reductie van broeikasgasemissies die door (de productie) van biobrandstoffen uit gewassen kan worden behaald. Er zijn verschillende studies en onderzoeken uitgevoerd naar dit fenomeen. Het is echter nog onduidelijk op welke wijze ILUC moet worden berekend en in welke mate ILUC aan de productie van biobrandstoffen uit gewassen moet worden toegeschreven. Er zal eerst duidelijkheid moet worden verschaft over ILUC, alvorens dit als basis wordt genomen voor de vaststelling van beleid en regelgeving. De NVDB is van mening dat het beter is de focus te leggen  op ILUC mitigatie in plaats van uiteenlopende berekeningen.

• Investeringszekerheid leidt tot innovatie en opschaling van productiecapaciteit
Door innovatie in de biobrandstoffensector worden nieuwe duurzame biobrandstoffen ontwikkeld die relatief meer bijdragen aan de reductie van broeikasgasemissies. De verwachting is dat bij uitsluitend sturing op basis van reductie van broeikasgasemissies (continuering van de FQD) de ontwikkeling van nieuwe biobrandstoffen onvoldoende op gang komt. Daarom is de NVDB voorstander van een specifieke stimulans – in de vorm van een specifieke volume doelstelling – voor het bijmengen van (zeer) geavanceerde biobrandstoffen. Dit draagt bij aan een gunstig investeringsklimaat waarin ruimte wordt gecreëerd voor innovatie.


4. Standpunten voorstel tot wijziging RED en FQD

Voer geen drastische tussentijdse wijzigingen door in het beleid
De NVDB is van mening dat de RED en FQD niet tussentijds op essentiële onderdelen moet worden gewijzigd. Als argument daarvoor geldt dat:

• Er investeringszekeringszekerheid geboden moet worden
Consistent beleid draagt bij aan een goed investeringsklimaat voor het bedrijfsleven, omdat dit investeerders zekerheid biedt over de ontwikkeling van de markt en inzicht geeft in de mogelijke terugverdientijd. Hierdoor worden bestaande investeringen beschermd en wordt toekomstige innovatie gestimuleerd. Drastische koerswijzigingen of voorstellen daartoe vormen een bedreiging voor een gunstig investeringsklimaat. In het geval van duurzame biobrandstoffen wordt dit versterkt door de afhankelijkheid van de productie van duurzame biobrandstoffen van overheidsbeleid.

Een cap van tenminste 8% op conventionele biobrandstoffen
In het voorstel tot wijziging van de RED en FQD wordt een cap ingesteld op conventionele biobrandstoffen. De NVDB is van mening dat een dergelijke cap op conventionele biobrandstoffen tenminste 8% moet bedragen. Hierbij spelen de volgende argumenten een rol:

• Alle biobrandstoffen zijn duurzaam en leiden tot reductie van broeikasgassen
Zoals onder 3.2 is aangegeven, voldoen alle biobrandstoffen aan de duurzaamheidscriteria en moeten daarmee als duurzaam worden beschouwd. Conventionele biobrandstoffen leiden tot een aanzienlijke reductie van broeikasgasemissies ten opzichte van fossiele brandstoffen (tenminste 35%) en zijn op grote schaal beschikbaar.

• De productiecapaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen is nog beperkt
Met de huidige productiecapaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen kan niet aan de totale vraag naar duurzame biobrandstoffen worden voldaan. Dat betekent dat wanneer de cap voor conventionele biobrandstoffen is bereikt en onvoldoende geavanceerde biobrandstoffen beschikbaar zijn, het hoofddoel van de RED niet zal worden bereikt. Dit brengt het risico met zich mee dat meer fossiele brandstoffen worden gebruikt. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen met een cap op conventionele biobrandstoffen wordt beoogd.

• De productiecapaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen is afhankelijk van de productie van conventionele biobrandstoffen
Geavanceerde biobrandstoffen zullen op de lange termijn een belangrijkere rol vervullen. De producenten van duurzame biobrandstoffen investeren daarom ook in onderzoek naar en ontwikkeling van geavanceerde biobrandstoffen. Het is echter nog niet mogelijk om op grote schaal op te schalen naar geavanceerde biobrandstoffen. Door de markt van conventionele biobrandstoffen sterk te beperken, kan minder worden geïnvesteerd in de ontwikkeling van geavanceerde biobrandstoffen en wordt de opschaling naar meer geavanceerde biobrandstoffen afgeremd.

Geen ILUC als basis voor beleid
De NVDB is van mening dat de wetenschap eerst tot overeenstemming moet komen over ILUC, alvorens hierop beleid en regelgeving wordt gebaseerd. Voor de argumenten hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is opgemerkt onder 3.2.