20161122 - Gezamenlijke brief NVDB MVO VERNOF over implementatie ILUC-richtlijn



Zoetermeer, 22 november 2016                                                    
Betreft: Reactie op uw brief dd. 8 september 2016
 
 
Excellentie,
 
Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van uw brief[1] aan de Tweede Kamer over de implementatie van Europese Richtlijn 2015/1513 (de ‘ILUC-richtlijn’).
 
De ILUC-richtlijn wijzigt het Europees beleid voor hernieuwbare transportbrandstoffen voor de periode tot en met 2020. Namens de stakeholders in de biobrandstoffenketen[2] die een direct belang hebben bij de implementatie van deze richtlijn in Nederland, reageren wij in deze brief op de beleidsvoorstellen.
 
Wij werken graag mee aan het realiseren van de doelstelling voor het verminderen van de broeikasgasemissies in de Nederlandse transportsector. Duurzame biobrandstoffen zijn reeds vandaag in substantiële mate beschikbaar, voldoen aan alle wettelijke eisen ten aanzien van duurzaamheid en zijn daarmee een duurzaam alternatief voor fossiele transportbrandstoffen om de broeikasgasemissie in de transportsector te verlagen. Biobrandstoffen zijn de enige duurzame optie voor sectoren die afhankelijk zijn van vloeibare energiedragers, zoals de sectoren zwaar wegverkeer en de lucht- en scheepvaart. Daarnaast zijn vloeibare biobrandstoffen de enige duurzame optie om het gebruik van fossiele transportbrandstoffen door voertuigen met een conventionele verbrandingsmotor terug te dringen. Dit wordt onderkend in de Duurzame Brandstoffenvisie[3] die invulling geeft aan de doelstelling om in de Nederlandse transportsector in 2050 een CO2-reductie van 60% te behalen (t.o.v. 1990).
 
Limiet van 5% op de bijmenging van conventionele biobrandstoffen
Wij constateren dat de regering van plan is om de bijmenging van conventionele biobrandstoffen te beperken. Bij de introductie van het biobrandstoffenbeleid in 2009 werd bijmenging van 10% in het vooruitzicht gesteld zonder inperking van het gebruik van bepaalde grondstoffen maar mits de biobrandstof aantoonbaar duurzaam is geproduceerd. Met het oog op het behalen van deze doelstelling heeft onze industrie in Nederland meer dan € 1,5 miljard geïnvesteerd in productiecapaciteit voor duurzame biobrandstoffen. De inperking door Europa van de inzet van conventionele biobrandstoffen tot maximaal 7% heeft grote consequenties gehad voor de investeringszekerheid en heeft in Nederland mede geleid tot het stilleggen van vier productiefaciliteiten. U stelt nu voor om het aandeel conventionele biobrandstoffen verder in te perken tot maximaal 5%. Desalniettemin staan de stakeholders in de biobrandstoffenketen positief tegenover een verdere verlaging van het plafond voor conventionele biobrandstoffen van 7% naar 5% onder de voorwaarde dat dit gebeurt in combinatie met de opheffing van de dubbel- en meervoudige telling van biobrandstoffen respectievelijk elektriciteit in wegvoertuigen. Op deze wijze wordt voor een deel recht gedaan aan de investeringen die onze industrie op basis van overheidsbeleid in Nederland heeft gedaan en ontstaat er meer zekerheid over de toekomstige inzet van conventionele en geavanceerde biobrandstoffen.
 
Afschaffing dubbeltelling
In Nederland is ingezet op een transitie naar het gebruik van meer biobrandstoffen, die voornamelijk worden geproduceerd uit afval en residuen en doorgaans een zeer hoge CO2-reductie behalen. De dubbeltellingsregeling is ingevoerd om de inzet van deze biobrandstoffen aanvullend te stimuleren. Een belangrijk nadeel van de dubbeltellingsregeling is dat de extra behaalde CO2-reductie deels teniet wordt gedaan doordat meer fossiele brandstoffen worden ingezet; er zijn immers minder duurzame biobrandstoffen nodig om aan de jaarverplichting te voldoen. De stakeholders in de biobrandstoffenketen zijn onder voorwaarden akkoord met het opheffen van de dubbeltellingsregeling. De Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa[4] adviseerde reeds in 2014 om het opheffen van de dubbeltelling te koppelen aan een andere vorm van stimulering. Vasthouden aan de voorgestelde percentages voor de jaarverplichting van 6,8% (in 2018) oplopend tot 8,4% (in 2020) zal onmiddellijk al in 2018 leiden tot een forse daling van geavanceerde biobrandstoffen op de Nederlandse markt. Daarmee wordt in één klap de levensvatbaarheid van de bestaande producenten van geavanceerde biobrandstoffen weggenomen en komt het voortbestaan van de bedrijven in de gehele keten met bijbehorende werkgelegenheid in gevaar. Bovendien raakt het ook aan de basis van de bio-economie, want naast biobrandstoffen produceren deze bedrijven ook hernieuwbare chemicaliën of leveren zij restmaterialen die als grondstoffen dienen voor hernieuwbare chemicaliën. Met het oog op de geleidelijke transitie naar het gebruik van meer biobrandstoffen geproduceerd uit afval en residuen in de totale biobrandstoffenmix en om recht te doen aan de investeringen in de capaciteit voor de productie van deze geavanceerde biobrandstoffen tekenen wij aan dat afschaffing van de dubbeltelling alleen acceptabel is als een jaarverplichting van minimaal 8,5% in 2018, 8,75% in 2019 en 9% in 2020 wordt vastgesteld. Hiermee wordt bovendien tegemoet gekomen aan de uitspraak van de rechter in de Urgenda-zaak die Nederland verplicht tot nemen van aanvullende CO2-reductie maatregelen en aan de algemene 14% doelstelling voor het gebruik van hernieuwbare energie in 2020 (die op grond van Nationale Energie Verkenning 2016[5] vooralsnog niet wordt gehaald).
 
Biobrandstoffenbeleid na 2020
Wij zijn groot voorstander van de gedachte om de ontwikkeling van nieuwe innovatieve biobrandstoffen te stimuleren. De sector staat open voor gebruik van andere innovatieve grondstoffen en technologieën, zodra de technologie hiervoor marktrijp is en de markt in voldoende mate wordt gestimuleerd om deze biobrandstoffen op te nemen. Investeringen in innovatie en marktintroductie kunnen alleen plaatsvinden als er een langdurig stabiel beleid is, waarbij investeerders minimaal zekerheid hebben over het terugverdienen van hun investering. Ook zullen bestaande partijen markttoegang moeten behouden, zodat zij in staat zijn te investeren in onderzoek en marktintroductie van de meest geavanceerde biobrandstoffen. Door een gebrek aan langdurig stabiel beleid worden de producenten van conventionele en geavanceerde biobrandstoffen nu ontmoedigd en wordt de innovatie en ontwikkeling van de meest geavanceerde biobrandstoffen in Nederland geremd. Wij pleiten er daarom voor dat Nederland niet eerst het Europees biobrandstoffenbeleid afwacht, maar juist een koploperspositie inneemt door ambitieuze bindende (tussen)doelstellingen vast te stellen voor het gebruik van duurzame biobrandstoffen in Nederland in de periode 2020-2030.
 
Transparantie
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) heeft een quick scan uitgevoerd om meer zicht te krijgen op de eventuele kwetsbaarheden in het systeem waarmee toezicht wordt gehouden op de ketens voor (dubbeltellende) biobrandstoffen en de mogelijke oplossingen om deze kwetsbaarheden te verkleinen. De stakeholders zijn graag bereid mee te denken en te werken om de de kwetsbaarheden in het systeem voor het toezicht op biobrandstoffenstromen te verminderen en de transparantie te vergroten. Wij constateren dat de potentiële risico’s waarover in de quick scan van de NEa wordt gesproken reeds begin 2014 zijn aangepakt door aanvullende eisen te stellen vanuit het certificatiesysteem. Bovendien worden producenten en certificeringsinstanties regelmatig gecontroleerd door overheidsinstanties zoals de RUD’s, NVWA, IL&T, Belastingdienst en Douane en voeren oliemaatschappijen leveranciersaudits uit. Tot zover heeft dat niet geleid tot substantieel bewijs van het daadwerkelijk plaatsvinden van ongewenste effecten in de biobrandstoffenketen, zoals door u ook wordt beaamd in de Kamerbrief over de implementatie van de ILUC-richtlijn waarin u ook reageert op de quick scan. U constateert echter wel dat sprake is van een hoog frauderisico in de biobrandstoffenketen. Wij zijn van mening dat de kwetsbaarheden in het systeem geen grond kunnen en mogen zijn om de stimulering van geavanceerde biobrandstoffen te verminderen. Beter zou het zijn om verder te blijven te investeren in een betrouwbaar en goed Europees controle systeem. U geeft in voornoemde Kamerbrief aan met het bedrijfsleven in gesprek te gaan om te kijken hoe de kwetsbaarheden in het systeem verder kunnen worden beperkt. Wij denken graag mee over mogelijke verbeteringen van de bestaande systemen en zien een uitnodiging voor dit gesprek dan ook graag tegemoet.
 
Conclusie
Met inachtneming van bovengenoemde aanpassingen in het voorgestelde beleid heeft u de steun van onderstaande stakeholders in de biobrandstoffenketen voor het voorgestelde beleid. Zoals aangegeven zijn wij van mening dat deze aanpassingen voor zowel de korte als ook de langere termijn van groot belang zijn. Zonder deze aanpassingen kunnen wij niet instemmen met het voorgestelde beleid. Graag treden wij over de inhoud van deze brief met u in overleg.

Hoogachtend,

 
Frans Claassen                                                                
Directeur                                                                           
MVO – de ketenorganisatie voor oliën en vetten
 
Bart Leenders
Voorzitter
NVDB - Nederlandse Vereniging voor Duurzame Biobrandstoffen

Henk Kant
Voorzitter
VERNOF - Vereniging van Nederlandse Fabrikanten van Eetbare Oliën en Vetten

 


[1] Kamerbrief over implementatie ILUC-richtlijn, toezeggingen aan de Tweede Kamer en jaarrapportage hernieuwbare energie vervoer 2015, Kamerstukken II 2015/16, 30 196 nr. 472.
[2] De stakeholders in de biobrandstoffenketen:
  • MVO – de ketenorganisatie voor oliën en vetten ( o.a. alle leveranciers van plantaardige, dierlijke en gebruikte oliën en vetten aan en een groot aantal biodiesel producenten)
  • NVDB – Nederlandse Vereniging voor Duurzame Biobrandstoffen
  • VERNOF – Vereniging van Nederlandse Fabrikanten van Eetbare Oliën en Vetten
[3] Een duurzame brandstofvisie met LEF, SER, Den Haag: juni 2014.