20121012 - Brief aan de Tweede Kamer over de stimulering van betere biobrandstoffen

Tweede Kamer der Staten-Generaal
Aan de leden van de Vaste Kamercommissie voor
Infrastructuur en Milieu
T.a.v. de voorzitter, de heer W. Koolmees
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Den Haag, 5 oktober 2012

Betreft: concreet voorstel voor de stimulering van betere biobrandstoffen
Contactpersoon: R. van Keulen (070-7503103)

Geachte dames en heren,

Op 9 oktober 2012 vindt het AO Milieuraad plaats. Op de agenda van het AO staat onder meer het biobrandstoffenbeleid. U heeft herhaaldelijk met de Staatssecretaris van I&M gedebatteerd over de verhoging van de bijmengverplichting voor biobrandstoffen. In die Kamerdebatten en onder belangrijke stakeholders is consensus ontstaan over de wenselijkheid van de verhoging van de bijmengverplichting op 1 januari 2013, met als harde voorwaarde dat deze verhoging leidt tot de inzet van betere biobrandstoffen. De vraag die resteert is hoe betere biobrandstoffen binnen de Europeesrechtelijke grenzen effectief gestimuleerd kunnen worden. In deze brief doet de NVDB een concreet voorstel voor de stimulering van betere biobrandstoffen. Voordat dit voorstel beschreven wordt, volgt hieronder eerst een korte toelichting op de Brandstofkwaliteitrichtlijn.

De Brandstofkwaliteitrichtlijn (Fuel Quality Directive, FQD) 1
Lidstaten moeten oliemaatschappijen op basis van de FQD verplichten om de CO2-uitstoot van brandstoffen op 31 januari 2020 met ten minste 6% en ten hoogste 10% te verlagen. Lidstaten kunnen bovendien CO2-tussendoelen van 2% in 2014 en 4% in 2017 stellen. Oliemaatschappijen kunnen op verschillende manieren aan hun verplichting voldoen, zij zijn vrij in de keuze van de techniek om het gestelde doel te behalen. Een groot deel van de verplichting wordt naar verwachting ingevuld met biobrandstoffen. CO2-doelen leiden daardoor tot de inzet van biobrandstoffen.

Voorstel: sturen op CO2 met een scherp tussendoel op basis van de Brandstofkwaliteitrichtlijn
Betere biobrandstoffen kunnen, zoals voorgesteld door de Commissie Corbey2, worden omschreven als ‘biobrandstoffen met een hoge CO2-reductie’. De NVDB stelt voor om op basis van de FQD vanaf 2013 scherpe CO2-tussendoelen te stellen, die oplopen van 3.5% in 2013 tot 6% in 2016.3

Deze tussendoelen zijn een effectieve manier om betere biobrandstoffen te stimuleren. De redenering hierachter is eenvoudig: betere biobrandstoffen leveren een grotere bijdrage aan het behalen van het CO2-doel en zijn daardoor aantrekkelijker voor oliemaatschappijen. De impuls die hiervan uitgaat op betere biobrandstoffen is zeer sterk, want er zijn grote verschillen tussen de CO2-prestaties van biobrandstoffen.

Om dit effect te bereiken, moet voldaan worden aan één voorwaarde: het CO2-doel moet hoog genoeg zijn. Oliemaatschappijen zullen hun keuzes pas richten op de CO2-doelen als er, om aan deze CO2-doelen te voldoen, meer biobrandstoffen moeten worden ingezet dan om aan de bijmengverplichting te voldoen. De NVDB heeft daarom berekend hoe hoog het CO2-doel ongeveer moet zijn om de situatie te creëren waarin oliemaatschappijen die aan dit CO2-doel voldoen, doorgaans ook aan de bijmengverplichting voldoen.4 Deze percentages staan in de onderstaande
tabel:

  2013 2014 2015 2016
Bijmengingverplichting voorgesteld door de
Staatssecretaris (%)
6.25 7.5 8.75 10
CO2-doel benodigd om betere biobrandstoffen te
stimuleren (%)
3.5 4.5 5 6

Deze tussendoelen, die hoger zijn dan de in de FQD gesuggereerde percentages van 2% en 4%, zijn juridisch toegestaan. Dit blijkt uit de tekst van de Richtlijn5 en wordt geïllustreerd door het feit dat onder meer Duitsland en Oostenrijk reeds hebben besloten om hogere tussendoelen te stellen. Omdat rapportageplichtigen de NEa reeds informeren over de CO2-reductie van biobrandstof, leidt dit voorstel nauwelijks tot additionele administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de NEa.

De NVDB benadrukt dat zij voorstander is van scherpe CO2-doelen én de voorgestelde hogere bijmengverplichting. CO2-doelen leiden tot de inzet van betere biobrandstoffen, terwijl de bijmengverplichting zekerheid biedt dat er substantiële volumes duurzame biobrandstof worden ingezet.

Wij hebben ons concrete voorstel voor de stimulering van betere biobrandstoffen reeds besproken met een groot aantal stakeholders. Op basis van deze gesprekken concluderen wij dat hiervoor breed draagvlak bestaat.

Hoogachtend,
Rob Voncken
Voorzitter Nederlandse Vereniging voor Duurzame Biobrandstoffen (NVDB)




1 Richtlijn 2009/30/EG.
2 De Commissie Corbey doet een dergelijk voorstel in de interessante notitie ‘Biomassa en beleid: hoe sturen op
  minder CO2?’, p. 8-10, van 21 mei 2012.
3 Dit kan eenvoudig door een wijziging van art. 2 lid 9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging
4 Wij zijn graag bereid deze gedetailleerde berekeningen en de aannames te delen en toe te lichten.
5 Richtlijn 2009/30/EG, art. 7 bis.