20120912 - Brief aan de heer J.J. Atsma over de stimulering van betere biobrandstoffen

De heer J.J. Atsma
Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
Postbus 20901
2500 EX Den Haag

Den Haag, 26 september 2012

Betreft: voorstel voor de stimulering van betere biobrandstoffen

Excellentie,

U heeft herhaaldelijk met de Tweede Kamer gedebatteerd over de verhoging van de bijmengverplichting voor biobrandstoffen. In die debatten en onder belangrijke stakeholders zoals het Rotterdam Climate Initiative (RCI) en de Commissie Corbey1 is brede consensus ontstaan over de wenselijkheid van de verhoging van de bijmengverplichting op 1 januari 2013 in combinatie met de stimulering van betere biobrandstoffen. De vraag die resteert is hoe betere biobrandstoffen binnen de Europeesrechtelijke grenzen effectief gestimuleerd kunnen worden.

De NVDB heeft u in een brief van 25 april 2012 laten weten uw voorstel voor een hogere bijmengverplichting van harte te steunen. De inzet van meer biobrandstoffen leidt tot een lagere CO2-uitstoot én biedt de BV Nederland grote economische kansen. In deze brief doet de NVDB een concreet voorstel voor de stimulering van betere biobrandstoffen. Voordat dit voorstel omschreven wordt, volgt hieronder eerst een korte toelichting op de Brandstofkwaliteitrichtlijn.
De Brandstofkwaliteitrichtlijn (Fuel Quality Directive, FQD)3. Lidstaten moeten oliemaatschappijen op basis van de FQD verplichten om de CO2-uitstoot van brandstoffen op 31 januari 2020 met ten minste 6% en ten hoogste 10% te verlagen. Lidstaten kunnen bovendien tussendoelen van 2% in 2014 en 4% in 2017 stellen. Oliemaatschappijen kunnen op verschillende manieren aan hun verplichting voldoen. De ‘bulk’ van de verplichting wordt naar verwachting ingevuld met biobrandstoffen. CO2-doelen leiden daardoor tot de inzet van biobrandstoffen. Voorstel: sturen op CO2 met een scherp tussendoel op basis van de Brandstofkwaliteitrichtlijn. Betere biobrandstoffen kunnen, zoals vorgesteld door de Commissie Corbey4, worden omschreven als ‘biobrandstoffen met een hoge CO2-reductie’. De NVDB stelt voor om op basis van de FQD vanaf 2013 scherpe CO2-tussendoelen te stellen, die oplopen van 3.5% in 2013 tot 6% in 2016.5

Deze tussendoelen zijn een effectieve manier om betere biobrandstoffen te stimuleren. De redenering hierachter is eenvoudig: betere biobrandstoffen leveren een grotere bijdrage aan het behalen van het CO2-doel en zijn daardoor aantrekkelijker voor oliemaatschappijen. De impuls die hiervan uitgaat op betere biobrandstoffen is zeer sterk, want er zijn grote verschillen tussen de CO2-prestaties van biobrandstoffen. Om dit effect te bereiken, moet voldaan zijn aan één voorwaarde: het CO2-doel moet hoog genoeg zijn. Oliemaatschappijen zullen hun keuzes pas richten op de FQD als er, om aan het CO2-doel te voldoen, meer biobrandstoffen moeten worden ingezet dan om aan de bijmengverplichting te voldoen. De NVDB heeft daarom berekend hoe hoog het CO2-doel ongeveer moet zijn om de situatie te creëren waarin oliemaatschappijen die aan deze verplichting voldoen, doorgaans ook aan de bijmengverplichting voldoen.6 Deze percentages staan in de onderstaande tabel:
CO2-doel gebaseerd op de FQD dat nodig is om betere biobrandstoffen te stimuleren

  2013 2014 2015 2016
Bijmengverplichting voorgesteld door de Staatssecretaris (%) 6.25 7.5 8.75 10
CO2-doel benodigd om betere biobrandstoffen te stimuleren (%) 3.5 4.5 5 6

Deze tussendoelen, die hoger zijn dan de in de FQD gesuggereerde percentages van 2% en 4%, zijn juridisch toegestaan. Dit blijkt uit de tekst van de Richtlijn7 en wordt geïllustreerd door het feit dat onder meer Duitsland en Oostenrijk reeds hebben besloten om hogere tussendoelen te stellen. Omdat rapportageplichtigen de NEa reeds informeren over de CO2-reductie van biobrandstof, leidt dit voorstel nauwelijks tot additionele administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de NEa. De NVDB benadrukt dat zij voorstander is van scherpe CO2-doelen én de door u voorgestelde hogere bijmengverplichting. CO2-doelen leiden tot de inzet van betere biobrandstoffen, terwijl de bijmengverplichting zekerheid biedt dat er substantiële volumes duurzame biobrandstof worden ingezet. Wij hebben ons voorstel voor CO2-doelen reeds besproken met een groot aantal stakeholders. Op basis van deze gesprekken verwachten wij dat hiervoor breed draagvlak kan ontstaan bij onder andere de Commissie Corbey en het RCI. Wij zien uit naar uw reactie op ons voorstel en wensen u veel succes in de komende maanden als demissionair Staatssecretaris van Milieu.

Met vriendelijke groet,
Rob Voncken
Voorzitter Nederlandse Vereniging voor Duurzame Biobrandstoffen (NVDB)

 


1 Zie het advies ‘Duurzame verhoging van de bijmengverplichting’ van 16 maart 2012.
2 De leden van de NVDB zijn Abengoa Bioenergy Netherlands, BioMCN, Biopetrol, BTG Biomass Technology Group, DSM, Neste Oil, Sabic en Sunoil Biodiesel.
3 Richtlijn 2009/30/EG.
4 De Commissie Corbey doet een dergelijk voorstel in de interessante notitie ‘Biomassa en beleid: hoe sturen op minder CO2?’, p. 8-10, van 21 mei 2012.
5 Dit kan door een eenvoudige wijziging van art. 2 lid 9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging.