20150528 Inbreng voor de open consultatie met betrekking tot het Energieadvies 2050

28 mei 2015
 
Inbreng voor de open consultatie met betrekking tot het Energieadvies 2050
 
De Nederlandse Vereniging van Duurzame Biobrandstoffen (NVDB) geeft namens de in Nederland gevestigde producenten van duurzame biobrandstoffen in dit document haar visie op de huidige rol en potentie van duurzame biobrandstoffen en zet uiteen hoe toekomstig overheidsbeleid zou moeten worden vormgegeven om te komen tot een emissiearme transportsector in 2050. De NVDB verzoekt de Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur deze visie mee te wegen in haar advies over een volledig duurzame energievoorziening in 2050.
 

1.Huidige rol van duurzame biobrandstoffen in energievoorziening

 

Duurzame biobrandstoffen dragen in belangrijke mate bij aan emissiereductie in de transportsector

In 2020 mogen ten opzichte van 1990 20% minder broeikasgassen worden uitgestoten en zal 20% van de energievoorziening uit hernieuwbare bronnen afkomstig moeten zijn. De mobiliteit- en transportsector is op Europees niveau verantwoordelijk voor 30% van alle broeikasgasemissies. De emissies in deze sector nemen nog steeds toe. Van de sectoren die niet onder het ETS vallen, worden in de mobiliteit- en transportsector zelfs de meeste broeikasgassen geëmitteerd. In de transportsector worden specifieke doelen gesteld voor de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van hernieuwbare energie. De Richtlijn hernieuwbare energie (RED) stelt als doel dat in 2020 10% hernieuwbare energie in de Europese transportsector moet worden gebruikt. De Richtlijn brandstofkwaliteit (FQD) bepaalt dat in 2020 in de Europese transportsector 6% reductie van broeikasgasemissies moet worden behaald in de brandstofketen t.o.v. 1990. Deze doelstellingen voor 2020 zullen in Nederland vrijwel geheel worden ingevuld met duurzame biobrandstoffen en de verwachting is dat dit wordt doorgezet naar 2020.
 

Duurzaamheidscriteria borgen dat biobrandstoffen op duurzame wijze worden geproduceerd

Biobrandstoffen worden geproduceerd uit biomassa. Aan het gebruik van biomassa zijn risico’s verbonden, zoals het kappen van oerbossen en een verlies aan biodiversiteit. Om te voorkomen dat deze risico’s intreden is het van belang dat strikte eisen worden gesteld aan het gebruik van biomassa en dat naleving van deze eisen wordt geborgd. Momenteel zijn voor de productie van duurzame biobrandstoffen al zogenaamde ‘duurzaamheidscriteria’ van toepassing. Het gebruik van biobrandstoffen geteeld op land met een grote biodiversiteit of met hoge koolstofvoorraden, zoals permanent beboste gebieden, is op grond van deze duurzaamheidscriteria niet toegestaan. Een ander belangrijk criterium is dat biobrandstoffen minimaal 35% minder broeikasgassen emitteren dan fossiele brandstoffen.[1] Wordt niet aan de duurzaamheidscriteria voldaan, dan worden biobrandstoffen niet duurzaam geacht en tellen ze niet mee voor het behalen van de Europese doelstellingen uit de RED en de FQD. De toepassing van de duurzaamheidscriteria wordt geborgd middels certificering. Met deze certificering kan de producent van duurzame biobrandstoffen aantonen dat de productie in lijn met de duurzaamheidscriteria heeft plaatsgevonden. In Europa kan alleen gebruik worden gemaakt van door de Europese Commissie erkende duurzaamheidssystemen.
 

Overige voordelen biobrandstoffen

Duurzame biobrandstoffen worden primair ingezet omdat hiermee de emissie van broeikasgassen wordt gereduceerd. Naast deze eigenschap zijn er echter nog vele andere voordelen verbonden aan duurzame biobrandstoffen, zoals:
 

Diversificatie energiemix in Europa

Meer gebruik van biobrandstoffen draagt bij aan diversificatie van de energiemix. Dit betekent dat duurzame biobrandstoffen op de lange termijn bijdragen aan een vermindering van de afhankelijkheid van olie- en gasproducerende staten.
 

Economische groei en werkgelegenheid in Nederland

In Nederland is een groot aandeel van de Europese productiecapaciteit voor duurzame biobrandstoffen vertegenwoordigd. De biobrandstofsector levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat de vestiging en doorgroei van producenten van duurzame biobrandstoffen in Nederland andere bedrijven aantrekt die verantwoordelijk zijn voor de infrastructuur of een andere rol vervullen in de keten van duurzame biobrandstoffen.
 

Ontwikkeling van Nederlandse wetenschap, kennis en technologieën

De productie van duurzame biobrandstoffen in Nederland draagt bij aan de ontwikkeling van de Nederlandse wetenschap en de kennis over een duurzame inzet van biomassa. Daarbij vindt in deze sector veel innovatie en technologische ontwikkeling plaats waarbij wordt ingezet op nieuwe grondstoffen, zoals algen, en de ontwikkeling van nieuwe eindproducten. Ook in het kader van de ontwikkeling van een biobased economy, een van de speerpunten van Nederland tijdens het naderende EU voorzitterschap, is voor duurzame biobrandstoffen een belangrijke rol weggelegd.
 

2.Potentie van duurzame biobrandstoffen in 2050

 
In het Klimaat- en Energiepakket 2030 is overeengekomen dat in Europa in 2030 40% minder broeikasgassen mogen worden uitgestoten dan in 1990. Voor de non-ETS sectoren is dit percentage vastgesteld op 30%. Dat betekent dat de mobiliteit- en transportsector een belangrijke bijdrage moet gaan leveren aan de doelstellingen voor emissiereductie. Dit wordt voor de lange termijn ook door de Europese Commissie onderkend in het White Paper Transport (2011) dat uitgaat van een emissiereductiedoel van 60% in 2050 voor deze sector. Om de gestelde Europese doelstellingen te halen zijn ambitieuze maatregelen voor deze sector onontbeerlijk. De NVDB geeft in het navolgende haar visie op de randvoorwaarden waar het overheidsbeleid aan moet voldoen om te komen tot een emissiearme transportsector in 2050:
 

Stabiel beleid specifiek voor de transportsector

De grootste bedreiging voor de doorgroei van duurzame biobrandstoffen is het gebrek aan stabiel overheidsbeleid. Het huidige beleid is aan verandering onderhevig en biedt onvoldoende bescherming voor bestaande en toekomstige investeringen in duurzame biobrandstoffen. Daarom pleit de NVDB voor duidelijkheid over het stimuleringskader voor emissiereductie in de transportsector na 2020. Er zijn ambitieuze lange termijn doelstellingen vastgesteld voor reductie van broeikasgasemissies. Gelet op het grote aandeel van de transportsector en het toenemen van de emissies in deze sector is het noodzakelijk dat specifiek beleid voor de transportsector wordt vastgesteld. Gezien het grensoverschrijdende karakter van vervoer moet een dergelijk kader op Europees niveau worden vastgesteld om belemmeringen voor het vrij handelsverkeer te voorkomen.
 

Stel het doel centraal: emissiereductie in transport

In haar Roadmap voor de Energie Unie heeft de Europese Commissie aangegeven in 2017 met een Mededeling te komen over het koolstofarm maken van de transportsector, waarbij ook een actieplan voor duurzame biobrandstoffen wordt opgesteld. Het is cruciaal dat Nederland zich in een vroeg stadium committeert aan een ambitieuze, technologie-neutrale doestelling voor 2030 waarin reductie van broeikasgasemissies centraal wordt gesteld. Een dergelijke benadering laat het aan de markt om te bepalen op welke wijze het meest kostenefficiënt emissies kunnen worden gereduceerd en sluit aan bij de huidige opzet van de FQD. Brandstofleveranciers kunnen kiezen voor het gebruik van duurzame biobrandstoffen, het verminderen van het affakkelen van gassen bij de olieproductie of elektrisch vervoer. Tevens ontstaat dan een prikkel voor het gebruik van duurzame biobrandstoffen die beter scoren op reductie van broeikasgasemissies. Een randvoorwaarde is dat daarbij geen aanvullende stimulering wordt ingesteld voor bepaalde technieken of modaliteiten, zoals dit momenteel wel gebeurt voor bijvoorbeeld elektrisch rijden. De NVDB is dan ook voorstander van continuering (en aanscherping) van de FQD of een vergelijkbaar stimuleringskader.
 

Verbreed naar andere modaliteiten in het vervoer en zet in op alle technieken

Het huidige beleid voor emissiereductie in de transportsector richt zich hoofdzakelijk op het wegvervoer en leidt grotendeels tot de inzet van duurzame biobrandstoffen en een beperkt aandeel elektriciteit. Om te komen tot grootschaliger emissiereductie in de transportsector is het noodzakelijk om in te zetten op alle vormen van low-carbon energie in alle vervoersmodaliteiten (incl. scheepvaart). Binnen de maatregelen die worden vastgesteld voor emissiereductie in de transportsector moet sprake zijn van een level playing field tussen fossiel en hernieuwbaar en tussen hernieuwbare technologieën onderling. Dubbele stimulering van bijvoorbeeld een elektrische aandrijflijn in auto’s moet worden voorkomen. Het belang van inzetten op verschillende technieken wordt ook onderkend in de Duurzame brandstofvisie met LEF, dat is uitgebracht onder het SER Energieakkoord. Naar de mening van de NVDB spreekt uit zowel dit visiedocument als de Europese plannen voor een Energie Unie echter een voorkeur voor elektrisch vervoer, wat niet bijdraagt aan het op kostenefficiënte wijze behalen van de reductiedoelstelling. Een grootschalige uitrol van elektrisch vervoer vereist bijvoorbeeld een evenredige uitbreiding van de duurzame elektriciteitopwekcapaciteit, welke noch goedkoop, noch eenvoudig zal zijn. Het is beter om de markt te laten bepalen wat de meer kostenefficiënte wijze van emissiereductie in transport is.
 

Duurzaamheidscriteria moeten op continue basis worden geëvalueerd en uitgebreid naar andere sectoren

Het vasthouden aan duurzaamheidscriteria en goede borging daarvan is essentieel om daadwerkelijk te komen tot emissiereductie en het gebruik van hernieuwbare energie. Voortschrijdend inzicht kan aanleiding zijn om de duurzaamheidscriteria aan te passen. De NVDB is van mening dat aanpassing van de duurzaamheidscriteria op basis van voortschrijdend inzicht moet plaatsvinden, mits dit plaatsvindt op Europees niveau en sprake is van wetenschappelijke consensus. Mochten aanpassingen in de duurzaamheidscriteria reeds gedane investeringen in gevaar brengen, dan zullen compensatiemaatregelen moeten worden getroffen zodat het investeringsklimaat niet verslechtert. Ook zullen de duurzaamheidscriteria op termijn op gelijke wijze moeten worden ingevoerd voor andere sectoren die biomassa toepassen, bijv. voor andere energietoepassingen, chemie en de voedselindustrie. Op deze wijze ontstaat een level playing field en wordt geborgd dat andere sectoren tevens een bijdrage leveren aan verduurzaming van Europa.


[1] Vanaf 2018 wordt dit percentage verhoogd naar minimaal 60% voor nieuwe installaties. In de praktijk kunnen biobrandstoffen momenteel al 50% tot 90% reductie bewerkstelligen.