20120713 Reactie op de notitie Biomassa en beleid hoe sturen op minder CO2

De Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa
De voorzitter, mevrouw D.J.M. Corbey
CC de heer R. Cornelissen, secretaris

De NVDB
Postbus 80532
2508 GM Den Haag

Den Haag, 12 juli 2012

Betreft: reactie op de notitie "Biomassa en beleid: hoe sturen op minder CO2,?"

Geachte mevrouw Corbey, beste Dorette,

Wij hebben met interesse de notitie Biomassa en beleid: hoe sturen op minder CO2? gelezen en zijn verheugd over het pleidooi om over te stappen op sturing op prestaties (CO2) en tevens een gelijk speelveld tussen fossiele en hernieuwbare energie te creëren. In deze brief reageert de Nederlandse Verenging voor Duurzame Biobrandstoffen (NVDB) op de notitie.

Algemeen
De verschillende Europese Richtlijnen en mondiale afspraken vormen terecht de basis van de opgestelde notitie. De omschrijving van deze afspraken geeft een goed beeld van het stimulerend kader maar ook van de inconsistenties van gekozen definities en maatregelen. Wij onderschrijven een groot deel van de conclusies en aanbevelingen op de laatste pagina van de notitie.

De FQD verplicht oliemaatschappijen zoals beschreven in de notitie om de broeikasgasemissies van brandstoffen eind 2020 met 6% te verminderen. Sturing op CO2-prestatie door middel van de Fuel Quality Directive (FQD) doet recht aan de werkelijke bijdrage van biobrandstoffen aan het beoogde hoofddoel, namelijk CO2-reductie. Wij delen daarom de benadering van de Commissie. Ook het pleidooi voor een gelijk speelveld tussen hernieuwbaar en fossiel onderschrijft de NVDB volledig. Dit is essentieel, zeker nu de winning van olie uit vervuilende, onconventionele bronnen toeneemt, zoals helder wordt toegelicht op p. 17 tot en met 19. Het zou goed zijn dit expliciet onder de aandacht te brengen van het Nederlandse kabinet.

In de notitie wordt echter gesteld dat sturen op CO2 mogelijk is door vanaf 2020 het aparte doel voor transportbrandstoffen in de RED af te schaffen en een ambitieuze FQD als sturingsinstrument te gebruiken. Het is juridisch en praktisch echter ook mogelijk om reeds voor 2020 op basis van de FQD scherpe tussendoelen op te stellen (wij doelen hiermee op tussendoelen die scherper zijn dan de huidige 2% en 4% zoals vastgelegd in de Nederlandse regelgeving). Verschillende Europese lidstaten hebben dergelijke tussendoelen reeds gesteld (o.a. Duitsland en Oostenrijk). Op deze wijze kan Nederland de broeikasgasuitstoot versneld verminderen én biobrandstoffen met een lage CO2 uitstoot voor oliemaatschappijen aantrekkelijker maken.

Een omissie in de notitie is dat deze, ons inziens, te eenzijdig is gericht op duurzaamheid als argument voor milieubeleid. Hoewel dit logisch is, omdat de notitie het overheidsbeleid ter verlaging van de CO2-uitstoot beschrijft, zou het wel goed zijn om ook voorzieningszekerheid en betrouwbaarheid als argumenten voor het overheidsbeleid uitgebreider aan de orde te stellen.

Wij hebben daarnaast de volgende specifieke opmerkingen:
p. 2 en 3: het is positief dat op p. 2 helder wordt gesteld dat biobrandstoffen het eerste product zijn waarvoor duurzaamheidscriteria bestaan en dat andere sectoren nog niet zover zijn. Wij zien uit naar het verwachte advies van de Commissie Corbey over duurzaamheidscriteria voor andere sectoren, zoals de voedsel-, hout-, cosmetica- en elektriciteitsproductiesector. Als het beleid en de discussie, bijvoorbeeld wat betreft ILUC, louter gericht is op de biobrandstoffensector, zal het beleid geen vruchten afwerpen, want wereldwijd wordt slechts enkele procenten van de grond gebruikt voor het verbouwen van feedstock voor biobrandstoffen. Het zou ten slotte goed zijn de term "hiaten" (p. 3) te vervangen door een meer neutrale term, zoals "uitwerking", want anders ligt het accent in de
tabel te sterk op de aspecten waar wellicht nog ruimte voor verbetering is (het glas is dan half leeg).

p. 4: de opmerking over de opslagfactor van 2.5 is terecht. We zijn echter van mening dat elektrisch rijden, ook in het licht van het feit dat elektrische auto's niet op groene stroom rijden, te sterk wordt gestimuleerd. Zo gaat Nederland ter bepaling van het percentage stroom dat kan worden meegeteld voor de bijmengverplichting uit van het Europese gemiddelde voor groene stroom (ruim 17%), terwijl Nederland hier ver onder zit. Ook is het mogelijk om voor de productie van groene stroom een SDE+subsidie te ontvangen en deze stroom mee te tellen voor de bijmengverplichting, terwijl expliciet is bepaald dat biogas en biobrandstoffen voor ten hoogste één stimuleringsregeling in aanmerking komen. Het zou opportuun zijn om in elk geval op te merken dat Nederland elektrisch rijden sterk stimuleert, terwijl er geen duurzaamheidscriteria voor de stroom zijn opgesteld.

p. 5: de huidige tekst wekt ten onrechte de indruk dat er uitsluitend vanwege ILUC voor is gekozen om de evaluatie van de RED af te wachten. Het zou goed zijn om op te merken dat het oorspronkelijke groeipad is verlaagd vanwege zorgen over de duurzaamheid van biobrandstoffen (het accent lag destijds op zorgen over de werkelijke verlaging van de CO2-uitstoot van biobrandstoffen) en dat deze zorgen inmiddels grotendeels zijn geadresseerd in de wettelijk vastgestelde duurzaamheideisen (waarin u in Brussel en Den Haag overigens zelf een grote en
positieve rol heeft gespeeld).

p. 6, 8: in de notitie maar ook door de Staatssecretaris wordt sterk de nadruk gelegd op de beperkte beschikbaarheid van biomassa. Daarbij wordt eenzijdig de nadruk gelegd op mogelijke risico's rond Used Cooking Oils (UCO). Dit beeld doet geen recht aan de werkelijkheid. Er zijn in Nederland voldoende biobrandstoffen beschikbaar die voldoen aan de duurzaamheidscriteria en er zijn voldoende biobrandstoffen beschikbaar die deze criteria overtreffen. Sterker nog, vrijwel alle producenten (NVDB-Ieden) kampen met overcapaciteit. Het zou goed zijn als de Commissie Corbey de productiecapaciteit in Nederland in kaart brengt en op basis van een dergelijke feitelijke analyse eventueel uitspraken doet over de beschikbaarheid.

p. 8: wij komen later terug op de opmerking over ILUC.

p. 9, 10: het voorstel om niet langer van generaties te spreken maar uit te gaan van CO2-uitstoot is positief. De kwalificaties van met name reststromen op p. 9 zijn echter verwarrend en onduidelijk.Omdat een eenduidige definitie ontbreekt is het wellicht beter deze omschrijving van generaties geheel weg te laten en te constateren dat eenduidigheid ontbreekt.

p. 10: de accijnsheffing zou gebaseerd moeten worden op energie-inhoud en CO2-prestatie. Nederland zou zich hiervoor in Brussel hard moeten maken.

p. 10 - 13 en 15 m.b.t. ILUC:
- ILUC is voor de NVDB een belangrijk thema;
- Er is sprake van een ILUC-risico, maar ILUC is niet bewezen. De modellen kennen afwijkende uitkomsten en schieten tekort, onder meer omdat geen rekening wordt gehouden met de positieve en significante effecten van overheidsbeleid;
- Zolang er geen sprake is van volwassen, voldragen modellen en er geen wetenschappelijke consensus is over ILUC, is het beter dat er nog geen wetgevende voorstellen gedaan worden. Anders is het risico dat naarmate de modellen betrouwbaarder en volwassener worden het beleid (herhaaldelijk) wordt aangepast, wat leidt tot investeringsonzekerheid en dien tengevolge het uitblijven van investeringen;
- (I)LUC is een wereldwijd probleem dat wordt veroorzaakt door een groot aantal sectoren. Eventueel ILUC-beleid moet daarom breder zijn dan de biobrandstofsector.

Technische opmerkingen
De (goede) notitie bevat naar onze mening enkele feitelijke onjuistheden. Het betreft:

P. 6 (en op o.m. pagina 25): er wordt in het kader van de motie Leegte voorgesteld dat een voorwaarde die wordt gesteld is dat "de doelstelling volledig wordt ingevuld met de zogenaamde 'tweede generatie' biobrandstoffen", Dit is niet geheel juist. In de motie Leegte wordt slechts gesproken van invulling met betere biobrandstoffen van het op te hogen gedeelte (ten opzichte van de oude situatie). Dat betekent dat niet de volledige bijmengverplichting (door u gesteld op 6% dubbeltellende biobrandstoffen) ingevuld dient te worden door dubbeltellende biobrandstoffen,
maar slechts de ophoging welke in 2016 in totaal 3 procent zou bedragen (ingevuld door dubbeltellende biobrandstoffen komt dit neer op 1.5% bijmenging).

p. 25: gesteld wordt het volgende: "de FQD na 2014 dus leidend zijn voor het ambitieniveau van de energietransitie en de CO2-reductie in het wegverkeer". Dit klopt feitelijk niet, wellicht is het beter om 2014 te vervangen door "een aantal jaren na 2014".

p. 25: waar is de uitspraak dat biodiesel en bio-ethanoI 25-30% duurder is dan benzine en diesel op gebaseerd? Deze cijfers lijken niet te kloppen.

Wij zijn van mening dat de notitie mogelijkheden biedt voor een constructieve samenwerking tussen de Commissie Corbey en de NVDB en kan leiden tot brede maatschappelijke en politieke consensus over het biobrandstoffenbeleid. Wij zouden graag op korte termijn een gesprek willen plannen om deze mogelijkheden te bespreken.

Met vriendelijke groet,
Rob Voncken

Voorzitter Nederlandse Vereniging voor Duurzame Biobrandstoffen (NVDB)