Missie en visie


Visie
De NVDB is voorstander van een ambitieus biobrandstoffenbeleid om de CO2-uitstoot te verlagen, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verkleinen en tegelijkertijd economische groei te stimuleren. 

Verlaging CO2-uitstoot
Nederland heeft begin 2011 de Europese Richtlijn hernieuwbare energie geïmplementeerd. In het Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015 is vastgelegd dat biobrandstoffen alleen mogen meetellen in het aandeel hernieuwbare energie in de vervoerssector als ze voldaan aan de duurzaamheidseisen van de Richtlijn. Dit betekent feitelijk dat alleen aantoonbaar duurzaam geproduceerde biobrandstoffen hun weg naar de Nederlandse markt zullen vinden. De belangrijkste duurzaamheidseis houdt in dat de CO2-reductie in de keten ten opzichte van fossiele brandstoffen minstens 50% en vanaf 2018 voor nieuwe installaties zelfs minimaal 60%. Ook mogen biobrandstoffen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen die afkomstig zijn van grond met een grote biodiversiteit of grond met hoge koolstofvoorraden. De Europese Commissie rapporteert daarnaast over onder meer de gevolgen van het biobrandstofbeleid voor de sociale duurzaamheid en de beschikbaarheid van voedsel tegen een betaalbare prijs, met name in ontwikkelingslanden. De NVDB vindt dat biobrandstoffen tot een substantiële reductie van de broeikasgasemissies kan en moet leiden. We staan daarom achter de duurzaamheidseisen van de Richtlijn.
 
Minder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen
Met de inzet van duurzame biobrandstoffen kunnen fossiele transportbrandstoffen geleidelijke worden vervangen. Naast de klimaatwinst neemt ook de afhankelijkheid van olieproducerende landen en eindige fossiele brandstoffen af. Voor de Verenigde Staten, met Brazilië de grootste producent van biobrandstof, is dit zelfs het hoofdargument voor de forse stimulering van de productie van biobrandstof. Een ambitieus biobrandstoffenbeleid draagt bij aan het bereiken van deze doelstelling.

Economische kansen voor Nederland
Op Europees niveau scoort Nederland gemiddeld als het gaat om de inzet van duurzame biobrandstoffen in de transportsector. Desondanks is de productie van duurzame biobrandstoffen - met name in het Rotterdams havengebied - vele malen hoger dan de consumptie van biobrandstoffen in Nederland. De Nederlandse biobrandstoffenketen heeft circa € 1,5 - 2 miljard geïnvesteerd in biobrandstoffen. Een substantieel deel van de productiecapaciteit in Nederland wordt nog niet benut. De Nederlandse biobrandstoffensector heeft in onze visie de potentie om uit te groeien tot een Europese koploper. Ons land heeft sterke troeven in handen, doordat de chemie, de agro-industrie, de energiesector als geheel en de logistieke sector (in het bijzonder de Rotterdamse haven) sterk zijn ontwikkeld. Ook is er op deze terreinen bij onder meer de Universiteit van Wageningen veel wetenschappelijke kennis aanwezig. Innovatieve, Nederlandse bedrijven hebben de potentie om uit te groeien tot Europese koplopers, ons land is een interessante vestigingslocatie voor internationale productie- en handelsbedrijven en Nederland is een kweekvijver voor innovatieve, technologische bedrijven. Deze ontwinkkeling kan alleen plaatsvinden indien de investeringen in de huidige productiecapaciteit voor duurzame biobrandstoffen in Nederland worden beschermd door een ambitieus biobrandstoffenbeleid in Nederland en Europa. 
 
Jaarverplichting en stimulering van betere biobrandstoffen
Nederland kent een jaarverplichting voor het bijmengen biobrandstoffen en het gebruik van andere hernieuwbare transportbrandstoffen. De jaarverplichting wordt uitgedrukt in een percentage dat jaarlijks geleidelijk oploopt.

Er is veel positieve aandacht voor de zogenaamde ‘geavanceerde biobrandstoffen'. Dit zijn biobrandstoffen die uit bijvoorbeeld afval of residuen zijn geproduceerd. Ook wordt veel onderzoek gedaan naar de productie van biobrandstoffen uit algen, maar deze biobrandstoffen zijn nog niet op commerciële schaal beschikbaar. Dergelijke geavanceerde biobrandstoffen tellen 2x mee voor het behalen van de jaarverplichting en voor de meest geavanceerde biobrandstoffen geldt een subdoelstelling. Ook worden ‘conventionele biobrandstoffen' ingezet, die worden geproduceerd uit gewassen die ook kunnen worden gebruikt als voedsel of diervoerders. De inzet van deze biobrandstoffen wordt in Nederland gelimiteerd. De NVDB vindt deze voorstelling van zaken te simpel, omdat conventionele biobrandstoffen - net als geavanceerde biobrandstoffen - duurzaam kunnen worden geproduceerd zonder dat ongewenste negatieve effecten optreden. Een veelgehoord punt van kritiek op conventionele biobrandstoffen is dat de inzet hiervan leidt tot een stijging van de voedselprijzen. Uit gezaghebbende rapporten van de Europese Commissie en de Wereldbank blijkt dat deze kritiek onterecht is en dat andere factoren grotendeels verantwoordelijk zijn voor de stijging van de voedselprijzen. Daarnaast worden conventionele biobrandstoffen in verband gebracht met indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC). De NVDB onderkent dat dit een ILUC-risico moet worden geadresseerd, maar dat het hanteren van een limiet op de inzet van alle conventionele biobrandstoffen de zorgen over ILUC onvoldoende adresseert.

De biobrandstofsector wil zijn prestaties verder verbeteren en in nieuwe innovaties investeren. De NVDB is daarom voorstander van de stimulering van duurzame biobrandstoffen waarbij het behalen van CO2-reductie in de gehele brandstofketen (van well-to-wheel) wordt beloond. De NVDB is dan ook voorstander van overheidsbeleid dat de inzet op een geleidelijke toename van de inzet van duurzame biobrandstoffen en waarbij het realiseren van CO2-reductie wordt gestimuleerd.